Ga naar de inhoud

20. Eendenkooi

Achter in de polder werd vroeger een speciale plas gegraven: de kooiplas. Deze had meestal vier vangarmen, elk gericht naar een andere windrichting. Op de dijkjes eromheen groeide bos, waardoor een rustige en beschutte plek ontstond waar eenden graag verbleven.

Langs de vangarmen stonden rieten schermen. De kooiker liep buiten deze schermen langs, terwijl zijn kooihondje met een opvallend zwabberend staartje aan de binnenkant liep. De kooiker koos altijd de vangarm waar de wind vandaan kwam en strooide daar voer in het water.

In de kooi leefden ook tamme kooi-eenden die hier geboren waren. Zij kenden de plek en kwamen op het voer af. Hun aanwezigheid lokte wilde eenden, trekvogels uit het noorden, mee de vangarm in. Zodra de eenden ver genoeg waren doorgezwommen, verscheen de kooiker achter de schermen vandaan. De kooi-eenden vlogen terug naar de plas, maar de wilde eenden stegen op tegen de wind in en vlogen daardoor juist verder de vangarm in.

Aan het einde van de vangarm kwamen zij in een vangkooi terecht, die noemde ze passend ‘de dood’. Daar werden ze dus gedood, door de nek om te draaien. Hier komt het spreekwoord “de pijp uitgaan” vandaan. De gevangen eenden waren bedoeld om verkocht te worden in de steden  en  voor eigen gebruik. Er waren 750 eendenkooien in de Alblasserwaard.